Chemie- en farmafederatie essenscia vindt het een goede zaak dat de Vlaamse regering de verlenging van de zogenaamde energiebeleidsovereenkomsten of EBO’s principieel heeft goedgekeurd voor de periode 2027-2030. Daarmee zet Vlaanderen een efficiënt beleidsinstrument voort dat de voorbije jaren forse energiebesparingen heeft opgeleverd, waaraan vooral de chemiesector sterk heeft bijgedragen. Positief is ook dat bedrijven voortaan meer flexibiliteit krijgen om naast energie-efficiëntie sterker in te zetten op klimaatmaatregelen die de CO₂-uitstoot verminderen. Dit maakt de nieuwe EBO’s beter geschikt voor de volgende fase van de industriële transitie.
Energiebeleidsovereenkomsten zijn een uniek partnerschap tussen de Vlaamse overheid en energie-intensieve bedrijven uit diverse industriesectoren zoals chemie, kunststoffen, farma, staal, metaal, raffinage, voeding, papier, glas en elektriciteitsproductie. De deelnemende bedrijven engageren zich vrijwillig om energiebesparende maatregelen uit te voeren die op basis van energieaudits kostenefficiënt en economisch rendabel zijn. Zo dragen de betrokken ondernemingen in belangrijke mate bij aan de Europese doelstellingen voor CO2-reductie en de Vlaamse doelstellingen rond energie-efficiëntie.
Forse energiebesparing in chemiesector
De eerste generatie van energiebeleidsovereenkomsten in de periode 2015-2022 leverde een forse energiebesparing op van 36,7 PJ (petajoule). Bijna de helft daarvan werd gerealiseerd door de deelnemende chemie-, farma- en kunststofbedrijven. De huidige EBO-cyclus, voor de periode 2023-2026, zou tegen eind dit jaar een bijkomende energiebesparing van 13,4 PJ opleveren, wat overeenkomt met het gemiddeld jaarlijks energieverbruik van bijna 180.000 gezinnen. De 87 deelnemende bedrijven uit de chemie- en kunststofsector zijn goed voor zowat een derde van de totale energiebesparing en hebben momenteel al meer energie bespaard dan wat aanvankelijk gepland was.
Meer flexibiliteit voor industriële transitie
De nieuwe energiebeleidsovereenkomsten gelden voor de periode van 2027 tot en met 2030, met de mogelijkheid om ze bijkomend met vier jaar te verlengen. Een belangrijke verbetering is dat bedrijven naast maatregelen voor meer energie-efficiëntie nu ook kunnen opteren voor klimaatinvesteringen die rechtstreeks bijdragen aan de vermindering van de CO2-uitstoot, zoals de elektrificatie van productieprocessen, projecten voor de afvang en opslag of het hergebruik van CO2 (CCUS), of een hogere inzet van hernieuwbare energie.
Matthias Diependaele, Vlaams minister-president en Vlaams minister van Economie en Industrie: “We stappen af van een te enge bril waarbij elk bedrijf enkel wordt afgerekend op klassieke energiebesparing. Een onderneming die meer klimaatwinst kan boeken met bijvoorbeeld hernieuwbare energie of CO₂-afvang, moet die keuze kunnen maken. We bieden onze bedrijven rechtszekerheid en flexibiliteit, zodat zij kunnen investeren in de toekomst van hun onderneming én van onze economie en industrie. We schrappen tegelijk waar mogelijk de papierwinkel. Minder regellast, meer actie.”
Melissa Depraetere, Vlaams minister van Energie & Klimaat: “Minder energie verbruiken is goed voor het klimaat én voor de concurrentiekracht van onze bedrijven. Daarom leggen we de lat hoger, maar geven we ondernemingen ook meer vrijheid om te kiezen hoe ze die halen. Die flexibiliteit is geen achterpoortje: een vervangende maatregel moet minstens dubbel zoveel CO₂ besparen. Meer vrijheid dus, maar in ruil voor meer klimaatwinst. Dat is goed voor het klimaat én onze economie.”
Saartje Swinnen, directeur Energie & Klimaat bij essenscia: “De energiebeleidsovereenkomsten zijn een schoolvoorbeeld van een succesvolle samenwerking tussen overheid en industrie. Ze hebben er mee voor gezorgd dat de chemiesector in Vlaanderen aan de wereldtop staat op het vlak van energie-efficiëntie. Onze bedrijven engageren zich om ook de komende jaren zuinig om te springen met energie en minder CO2 uit te stoten. Dankzij de verruimde flexibiliteit evolueren de nieuwe EBO’s mee met de volgende fase van de industriële transitie. Bedrijven kunnen hun investeringen voortaan focussen op die maatregelen die voor hun specifieke situatie de grootste impact hebben inzake energie-efficiëntie en CO₂-reductie.”
