“270 miljoen euro klimaatsubsidies aan grote uitstoters.” Het was een straffe kop op de cover van De Standaard. Een titel die polariseert, maar jammer genoeg ook misleidt. De kritiek op de compensatie voor indirecte emissiekosten klinkt scherp, maar maakt een karikatuur van een complexe realiteit. Dit is geen blanco cheque voor bedrijven, maar een doordachte correctiemaatregel om de energie-intensieve industrie in Vlaanderen te beschermen tegen oneerlijke concurrentie. Wie de klimaatuitdaging ernstig neemt, beseft dat we een sterke chemiesector nodig hebben om onze klimaatambities waar te maken.
Vlaams Parlementslid Aimen Horch (Groen) haalde in De Standaard zwaar uit naar de compensatie voor indirecte emissiekosten. Het is absoluut noodzakelijk dat we kritisch kijken hoe overheidsmiddelen worden ingezet. Maar laat ons dat doen met feiten, nuance en economisch realisme. Een vijandbeeld ophangen van de industrie brengt ons niet dichter bij de klimaatdoelstellingen. De sleutel ligt in een evenwichtige aanpak die klimaatinspanningen, concurrentiekracht en strategische autonomie verzoent.
Bedrijven betalen dubbel
Eerst de feiten. Het Europese emissiehandelssysteem (ETS) verplicht bedrijven om te betalen voor hun CO2-uitstoot. Doordat elektriciteitsproducenten die kost doorrekenen, betalen energie-intensieve bedrijven dubbel: voor hun eigen uitstoot én voor de uitstoot van de aangekochte stroom. Dat maakt niet alleen elektrificatie duurder, nochtans een van de meest veelbelovende transitiepaden richting klimaatneutraliteit, maar het schaadt ook hun concurrentiepositie op de wereldmarkt, omdat bedrijven in andere werelddelen geen CO2-emissierechten moeten aankopen.
Europa laat daarom toe dat lidstaten hun industrie – die sowieso al aan de strengste Europese milieu- en klimaatregels moet voldoen – hiervoor gedeeltelijk compenseren om zo dit concurrentienadeel te verkleinen. De middelen voor die compensatie komen uit de opbrengsten van de veilinginkomsten van de Europese emissiehandel. Het zijn dus onrechtstreeks de bedrijven zelf die het systeem financieren. Vlaanderen past dit mechanisme toe, net zoals andere Europese industrielanden dit doen. Laat ons ook niet vergeten dat de stroomprijzen voor de industrie in België al 12 tot 23% hoger liggen dan in de buurlanden.
Strenge en strikte voorwaarden
De Vlaamse overheid hanteert bovendien striktere en strengere voorwaarden die recent nog zijn aangescherpt: het steunpercentage is verlaagd, minder bedrijven komen ervoor in aanmerking en minimaal de helft van de steun dient geherinvesteerd te worden in energie- en klimaattechnologieën. Ondernemingen moeten ook een klimaatplan voorleggen, energiebeleidsovereenkomsten afsluiten en verplicht energiebesparende maatregelen uitvoeren. Voor de periode 2023-2026 gaat het om een forse investering van meer dan 900 miljoen euro.
Zo wordt de compensatie een hefboom voor klimaatinvesteringen in de industrie die aantoonbaar energie besparen en uitstoot verminderen. Wie deze competitiviteitsmaatregel sloganesk en ongenuanceerd wegzet als “subsidies aan vervuilers”, mist de essentie van het klimaatvraagstuk, ondermijnt het vertrouwen in de overheid en veegt de klimaatinspanningen van de sector onder de mat: sinds 1995 is de CO2-uitstoot in de chemie-industrie in België meer dan gehalveerd, terwijl de productie is toegenomen.
Ecologie en economie
Akkoord, de chemiesector is energie-intensief en vertegenwoordigt meer dan een tiende van de totale uitstoot van broeikasgassen in Vlaanderen. Maar de sector behoort ook tot de wereldtop als het aankomt op energie-efficiëntie en CO2-reductie. Wie de klimaatuitdaging ernstig neemt, beseft net dat we een sterke chemie nodig hebben. Ecologische doelstellingen vereisen economische onderbouwing.
Zo berekende de Europese Commissie dat 95% van alle producten die we gebruiken direct afhankelijk zijn van de chemie-industrie. De sector levert ook de cruciale bouwstenen voor de energie- en klimaattransitie: van isolatiematerialen tot batterijcomponenten. Die produceren we daarom best hier bij ons, op de meest energie-efficiënte en klimaatvriendelijke manier. Zo verankeren we ook jobs en kennis.
Tegelijk investeert de sector volop in doorbraaktechnologieën zoals de elektrificatie van productieprocessen, circulaire kunststoffen en CCUS (carbon capture utilization & storage), om CO2 op te vangen en veilig op te slaan of te hergebruiken als grondstof. Dat is geen sciencefiction maar realiteit. Met BlueChem, de incubator voor duurzame chemie in Antwerpen, zit Vlaanderen in het Europese koppeloton voor klimaatinnovatie.
Met de industrie, niet zonder
De echte keuze is niet óf industrie, óf klimaat. Het gaat erover hoe we onze industrie klimaatneutraal kunnen maken, zonder aan internationale concurrentiekracht in te boeten. Dat vraagt ongeziene investeringen in innovatie, technologie en infrastructuur. De geviseerde compensatiemaatregel afschaffen, zal niet leiden tot minder uitstoot, maar wel tot minder concurrentievermogen, minder productie in Vlaanderen en dus meer import vanuit andere regio’s met minder strenge milieunormen en klimaatdoelen.
Dat is niet alleen slecht voor het klimaat, maar zo verliezen we ook welvaart en worden we voor essentiële producten en materialen afhankelijk van andere landen. In een wereld waarin geopolitieke spanningen en handelsconflicten toenemen, moeten we net investeren in meer strategische autonomie en een sterke industriële basis als fundament voor onze economie en welvaart. De compensatie voor indirecte emissiekosten is dus geen klimaatsubsidie, maar een noodzakelijke en redelijke investering in klimaatoplossingen, werkgelegenheid en de transitie naar een duurzame economie.
Yves Verschueren
Gedelegeerd bestuurder essenscia
